Financieel Commentaar

Opzienbarende vergelijking economische cijfers EU-landen 2015

In 2012 is het kabinet Rutte gestart. In dat jaar hebben wij de economische cijfers van de EU-landen in kaart gebracht.

Het lijkt ons nuttig om, nu de regeerperiode van dit kabinet er bijna op zit, de verschillende cijfers wederom op een rijtje te zetten en te laten zien Nederland zich verhoudt ten opzichte van de rest van Europa. (Deze cijfers zeggen  overigens niets over de mate van welzijn van een land omdat sociale structuren en de mate waarin een land omgaat met de werklozen, zwakkeren, zieken, arbeidsongeschikten en minder bedeelden buiten beschouwing zijn gelaten).

Staatsschuld:

De onderstaande tabel geeft de staatsschuld weer van de EU-landen ten opzichte van het BNP in 2015 met daarnaast de situatie in 2012. Alhoewel Nederland nog niet voldoet aan de “Maastrichtnorm” dat de staatsschuld niet hoger mag zijn dan 60% van het BNP, is zij op de goede weg. Deze conclusie kunnen we vooral trekken als we zien hoe de staatsschuld van de andere Europese landen zich in de afgelopen 3 jaar heeft ontwikkeld.

staatsschuld staatsschuld
BNP 2015 BNP 2012
Estland 9,70% 10,10%
Luxemburg 21,40% 20,80%
Bulgarije 26,70% 18,50%
Letland 36,40% 40,70%
Roemenië 38,40% 37,80%
Denemarken 40,20% 45,80%
Tsjechië 41,10% 45,80%
Litouwen 42,70% 40,70%
Zweden 43,40% 38,20%
Polen 51,30% 55,60%
Slowakije 52,90% 52,10%
Finland 63,10% 53,00%
Malta 63,90% 72,10%
Nederland 65,10% 71,20%
Duitsland 71,20% 81,90%
Hongarije 75,30% 79,20%
Slovenië 83,20% 54,10%
Oostenrijk 86,20% 73,40%
Kroatië 86,70%
Engeland 89,20% 90,00%
Ierland 93,80% 117,60%
Frankrijk 95,80% 90,20%
Spanje 99,20% 84,20%
België 106% 99,60%
Cyprus 108,90% 85,80%
Portugal 129% 123,60%
Italië 132,70% 127,00%
Griekenland 180,10% 156,90%

Bij de onderstaande tabel vergelijken we de veranderingen van de staatsschuld t.o.v. de cijfers van 2012. (Kroatie is sinds 2013 toegetreden tot de Europese Unie en is in deze vergelijking dan ook niet meegenomen).

staatsschuld staatsschuld
BNP 2015 BNP 2012 verandering
Ierland 93,80% 117,60% -23,80%
Duitsland 71,20% 81,90% -10,70%
Malta 63,90% 72,10% -8,20%
Nederland 65,10% 71,20% -6,10%
Denemarken 40,20% 45,80% -5,60%
Tsjechië 41,10% 45,80% -4,70%
Letland 36,40% 40,70% -4,30%
Polen 51,30% 55,60% -4,30%
Hongarije 75,30% 79,20% -3,90%
Engeland 89,20% 90,00% -0,80%
Estland 9,70% 10,10% 0,40%
Luxemburg 21,40% 20,80% 0,60%
Roemenië 38,40% 37,80% 0,60%
Slowakije 52,90% 52,10% 0,80%
Litouwen 42,70% 40,70% 2%
Zweden 43,40% 38,20% 5,20%
Portugal 129% 123,60% 5,40%
Frankrijk 95,80% 90,20% 5,60%
Italië 132,70% 127,00% 5,70%
België 106% 99,60% 6,40%
Bulgarije 26,70% 18,50% 8,20%
Finland 63,10% 53,00% 10,10%
Oostenrijk 86,20% 73,40% 12,80%
Spanje 99,20% 84,20% 15,00%
Cyprus 108,90% 85,80% 23,10%
Griekenland 180,10% 156,90% 23,20%
Slovenië 83,20% 54,10% 29,10%

We komen hierbij tot de opmerkelijke constateringen:

  1. De economie van Ierland heeft de afgelopen 3 jaar een opmerkelijk herstel laten zien en heeft haar staatsschuld teruggebracht met 23,8%.
  2. Nederland bezet in het klassement “terugdringen van de staatsschuld” een eervolle 4e plek
  3. De landen met de hoogste staatsschuld (ten opzichte van hun BNP) hebben allen, Ierland uitgezonderd, de staatsschuld behoorlijk op zien lopen.

Begrotingstekort:

Om de staatsschuld te managen hebben de Europese landen in het verdrag van Maastricht afgesproken dat het begrotingstekort niet meer mag bedragen dan 3% van het BNP. In 2012 voldeed nagenoeg geen enkel land aan deze voorwaarden. Dit is significant verbeterd.

In de onderstaande tabel zien we de begrotingstekorten van ultimo 2015 met daarbij de begrotingscijfers van 2012.

Begrotings- Begrotings-
tekort 2015 Tekort 2012
Luxemburg -1,20% 0,80%
Duitsland -0,70% -0,20%
Estland -0,40% 0,30%
Zweden 0% 0,50%
Litouwen 0,20% 3,20%
Tsjechië 0,40% 4,40%
Roemenië 0,70% 2,90%
Cyprus 1% 6,30%
Oostenrijk 1,20% 2,50%
Letland 1,30% 1,20%
Malta 1,50% 3,30%
Nederland 1,80% 4,10%
Hongarije 2% 1,90%
Denemarken 2,10% 4,00%
Bulgarije 2,10% 0,80%
Ierland 2,30% 7,60%
Polen 2,60% 3,90%
België 2,60% 3,90%
Italië 2,60% 3,00%
Finland 2,70% 1,90%
Slovenië 2,90% 4,00%
Slowakije 3% 4,00%
Kroatië 3,20% 5,30%
Frankrijk 3,50% 4,80%
Engeland 4,40% 6,30%
Portugal 4,40% 6,40%
Spanje 5,10% 10,60%
Griekenland 7,20% 10,00%

We komen hierbij tot de volgende conclusies:

  1. Voldeden er in 2012 slechts 11 landen aan de 3% norm, nu geldt dat voor 22 landen.
  2. Nederland heeft haar begrotingstekort teruggebracht van 4,1% naar 1,8% en bezet daarmee een 12e plaats en voldoet ruimschoots aan de 3% begrotingsnorm.
  3. Duitsland heeft de laatste jaren, als één van de weinigen, een begrotingsoverschot. Dat uit zich ook in de  sterke afname van de staatsschuld (alhoewel deze nog hoger is dan die van Nederland).
  4. De landen met de hoogste staatsschuld (nagenoeg allen Zuid-Europese of West-Europese landen) hebben ook de meeste moeite met het terugdringen van het begrotingstekort.

Netto Betalers en Netto Ontvangers EU-begroting:

Daarnaast hebben wij in kaart gebracht welke landen per saldo betalen aan de EU-begroting en welke landen per saldo ontvangen. Duitsland is verreweg de grootste betaler aan de EU, Polen verreweg de grootste ontvanger. (In die zin is er sinds 2012 niets veranderd).

netto betaler netto ontvanger
2015 (miljoen €) 2015 (miljoen €)
Duitsland 14306
Engeland 11521
Frankrijk 5522
Nederland 3695
Italië 2638
Zweden 2200
België 1387
Oostenrijk 851
Denemarken 790
Finland 488
Luxemburg 94
Cyprus 23
Malta 32
Kroatië 226
Estland 243
Ierland 349
Litouwen 540
Slovenië 579
Letland 759
Portugal 981
Bulgarije 2279
Slowakije 3095
Spanje 4527
Hongarije 4636
Griekenland 4934
Roemenië 5154
Tsjechië 5699
Polen 9483

Als wij echter deze bijdrage delen door het aantal inwoners dan komt de volgorde er iets anders uit te zien. Onderstaande tabel laat zien wat er per inwoner in 2015 is betaald, dan wel ontvangen uit de EU-begroting.

inwoneraantal netto betaler netto ontvanger
2015 (x 1000) per inwoner per inwoner
Zweden 9802 224
Nederland 16947 218
Engeland 64088 179
Duitsland 80854 177
Luxemburg 570 165
Denemarken 5582 142
België 11324 123
Oostenrijk 8666 98
Finland 5477 89
Frankrijk 66553 83
Italië 61855 43
Cyprus 1189 19
Kroatië 4465 50
Ierland 4892 71
Malta 414 77
Portugal 10825 91
Spanje 48146 94
Litouwen 2884 187
Estland 1265 192
Roemenië 21666 238
Polen 38562 253
Slovenië 1983 292
Bulgarije 7187 317
Letland 1987 382
Griekenland 10776 458
Hongarije 9898 468
Tsjechië 10645 545
Slowakije 5445 568

We komen hierbij tot de volgende gevolgtrekkingen:

  1. Nederland is naast Zweden de grootste betaler per inwoner
  2. De Oost Europese landen zijn (bijna zonder uitzondering) de grote ontvangers.
  3. De bedragen zijn in de afgelopen 3 jaar substantieel gestegen voor zowel de betalers alsook de ontvangers (balans technisch bezien moet dat natuurlijk ook J). Nederland droeg in 2012 € 111,– per inwoner bij, nu € 218. Nederland was toen overigens ook al een van de grootste betalers.

Eindconclusie:

Nederland laat ten opzichte van haar Europese broederstaten uitstekende cijfers zien. De staatsschuld (ten opzichte van het BNP) is substantieel gedaald, het begrotingstekort is onder controle en daarbij dragen wij per inwoner ook nog (bijna) het meest bij aan de begroting van de Europese Unie.

Bronvermelding:

  1. http://ec.europa.eu/budget/figures/interactive/index_en.cfm
  2. http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/File:Public_balance_and_general_government_debt,_2012%E2%80%9315_(%C2%B9)_(%25_of_GDP)_YB16_II.png
  3. http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=teina225&plugin=1

Beursgang ABN AMRO: Zin of Onzin

Beursgang ABN AMRO: Zin of onzin?

De overheid heeft de intentie het in 2008 verworven ABN AMRO in 2015 naar de beurs te brengen. De beweegredenen van deze beslissing zijn vooralsnog onduidelijk.

Eind 2008 is ABN AMRO door de overheid overgenomen voor een bedrag van 21,7 miljard. In de onderstaande tabel wordt getoond hoeveel winst ABN AMRO heeft gemaakt vanaf overnamedatum (eind 2008) tot en met heden.

Tabel: Winstcijfers ABN AMRO en rendement t.o.v. investering

Als we kijken naar de winstcijfers, dan kan geconstateerd worden dat:

- De winstcijfers jaarlijks stijgen
- Er tot en met 2014 3,6 miljard winst is gemaakt
- Het rendement ten opzichte van de investering is gestegen van -.5% in 2009 tot 6,5% in 2014

Conclusie 1:
Als we er van uitgaan dat de beursgang van ABN AMRO de belastingbetaler € 15 miljard oplevert, dan kunnen we simpelweg constateren dat met de opbrengst van ABN AMRO een rendement van 9,5% gemaakt moeten worden (€ 1,4 miljard : € 15 miljard) als er op de transactie geen rendementsverlies gemaakt mag worden. Dat gaat (zonder buitensporig beleggingsrisico) niet lukken.

Tot en met 2014 is er een winst gerealiseerd van € 3,6 miljard. Onduidelijk is hoeveel er van deze winst daadwerkelijk is overgeboekt naar de overheid. Anders gezegd: Heeft de overheid van ABN AMRO alle dividend daadwerkelijk ontvangen of is er ook onverdeelde winst in het bedrijf achter gebleven.

Conclusie 2:
Daarmee willen wij zeggen dat het verlies bij een opbrengst van € 15 miljard minimaal € 21,7 miljard (aankoopsom) – € 15 miljard (vermoedelijke opbrengst – € 3,6 miljard (dividend) = € 3,1 miljard zal bedragen. Dit bedrag moet worden opgehoogd met het niet uitgekeerde dividend.

Eindconclusie:
Naast het vermoedelijke rendementsverlies wordt een substantieel verlies gemaakt op de investering.

Alleen het belang van de belastingbetaler telt. En dit belang is momenteel absoluut niet gediend bij een verkoop van ABN AMRO.
ABN AMRO functioneert op dit moment uitstekend (zie de jaarlijks stijgende winst) en het rendement op het investeringsbedrag is momenteel zeer bevredigend (6,5%).

Daarnaast is het beursklimaat zodanig dat het investeringsbedrag (€ 21,7 miljard) bij een beursgang absoluut niet gehaald zal worden.

Het kan en mag niet zo zijn dat het belang van de bancaire bovenlaag van ABN AMRO (meer vrijheid in beloningsbeleid) gaat prevaleren boven dat van de huidige eigenaar van ABN AMRO (de nederlandse belastingbetaler).

Zolang de vermoedelijke opbrengst < blijft dan het investeringsbedrag moet een beursgang van ABN AMRO niet overwogen worden.

Verrassende vergelijking pensioencijfers en BBP

Er is veel aan de hand in Nederland. Donkere wolken pakken zich samen aan het firmament, economische rampspoed nadert. Het failliet van de Nederlandse samenleving is schier onafwendbaar.

Financieel commentaar wil enkele nuances plaatsen over de staat van onze economie en vergelijkt (omdat er veel discussie is over ons pensioenstelsel) de verschillende pensioenstelsels van verschillende westerse landen. Daarnaast vergelijken wij de productiviteit van deze landen (BBP) zodat een goede vergelijking kan worden gemaakt over de staat van onze economie ten opzichte van de rest van de (Westerse) wereld.

Vergelijking pensioenstelsels:

De Melbourne Mercer Global Pension Index vergelijkt pensioenstelsels in 18 landen. Als we de uitkomsten hiervan vergelijken vragen wij ons af of in Nederland de pensioenproblematiek wordt opgeblazen tot gigantische proporties OF dat de rest van de wereld haar kop in het zand steekt voor wat betreft haar oudedagsvoorzieningen.

In de onderstaande grafiek is berekend wat er per hoofd van de bevolking aan pensioenkapitaal was gespaard in 2011:

landen Pensioenkapitaal inwoneraantal Pensioen per hoofd rangorde
in miljarden € in miljoen bevolking in €
Zwitserland 528 8 € 66.000,00 1
Nederland 852 16,8 50.714,00 2
Ijsland 13,5 0,32 € 42.857,00 3
Engeland 1739 63,4 € 27.429,00 4
V S 7952 316,7 € 25.108,00 5
Denemarken 124 5,5 € 22.545,00 6
Japan 1105 127,2 € 8.687,00 7
Spanje 87 47,3 € 1.839,00 8
Duitsland 146 81 € 1.802,00 9
Belgie 16 10,4 € 1.538,00 10
Luxemburg 0,75 0,51 € 1.459,00 11
Frankrijk 4,5 62,8 € 71,00 12
Griekenland 0,07 10,7 € 7,00 13

Uit deze tabel blijkt dat er zeer grote verschillen bestaan tussen de verschillende westerse economieën. Verder commentaar lijkt hier verder overbodig.

Het pensioenkapitaal in Nederland is inmiddels aangegroeid tot € 1000 miljard. Zelfs als wij met ons pensioenkapitaal de staatsschuld totaal zouden aflossen (momenteel ± 450 miljard Euro), dan nog zouden wij in bovenstaande grafiek met een pensioen per hoofd van de bevolking met € 32.700 een 3e plek op deze ranglijst bezetten !!!!

Dan maar eens gekeken of wij op een andere manier uit de toon vallen.

Vergelijking Bruto Binnenlands Product (BBP):

Het Bruto Binnenlands Product (BBP) is de totale geldswaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode. In onderstaande grafiek kunnen we zien hoe onderstaande westerse economieën zich ten opzichte van elkaar verhouden.

landen inwoneraantal BBP per hoofd rangorde
in miljoen bevolking in €
Luxemburg 0,51 € 74.000,00 1
Zwitserland 8 € 73.250,00 2
Denemarken 5,5 € 45.090,00 3
Belgie 10,4 € 37.885,00 4
Nederland 16,8 37.500,00 5
Duitsland 81 € 36.456,00 6
V S 316,7 € 35.869,00 7
Japan 127,2 € 34.756,00 8
Ijsland 0,32 € 31.746,00 9
Frankrijk 62,8 € 28.726,00 10
Engeland 63,4 € 28.580,00 11
Griekenland 10,7 € 23.364,00 12
Spanje 47,3 € 23.044,00 13

De verschillen zijn nu minder significant. Het grote verschil tussen Luxemburg en Zwitserland met de rest van de vergeleken landen is gelegen in het feit deze economieën grotendeels worden gevormd door de bankensector.

Als wij de minder eenzijdig opgebouwde economieën bekijken dan blijkt Nederland hier ook een (zeer) goede positie te bezetten.

Totaalvergelijking:

Als wij deze tabellen samenvoegen dan onstaat onderstaande vergelijkingsgrafiek.

Wij staan ruim boven de grote West-Europese economieën en laten zelfs “voorbeeldeconomie” Duitsland ver achter ons.

Conclusie:

We hebben 2 onderdelen uitgelicht die van grote invloed zijn op het (economische) welbevinden van een land.  Daaruit komen wij goed naar voren.

Voor wat betreft staatsschuld en begrotingsoverschot bezetten wij in Europa de middenpositie en dit  is absoluut een punt van aandacht. (zie artikel: “opzienbarende vergelijking economische cijfers EU-landen 2012” die in augustus jl. is gepubliceerd op deze website).

Er is wat ons betreft echter geen enkele reden voor de negatieve houding die op dit moment in Nederland de boventoon voert.

Opzienbarende vergelijking economische cijfers EU-landen 2012

In 2010 hebben wij de economische cijfers van de EU-landen in kaart gebracht en ten opzichte van elkaar vergeleken. Het lijkt ons nuttig om 2 jaar na de eerste vergelijking de verschillende cijfers wederom op een rijtje te zetten en te laten zien hoe de landen zich ten opzichte van elkaar verhouden. (Deze cijfers zeggen dus niets over de mate van welzijn van een land omdat sociale structuren en de mate waarin een land omgaat met de werklozen, zwakkeren, zieken, arbeidsongeschikten en armen buiten beschouwing zijn gelaten).
De onderstaande tabel geeft de staatsschuld weer van de EU-landen.

staatsschuld staatsschuld
BNP 2012 BNP 2010
Estland 10,10% 6,60%
Bulgarije 18,50% 16,20%
Luxemburg 20,80% 18,40%
Roemenie 37,80% 30,80%
Zweden 38,20% 39,80%
Letland 40,70% 46,20%
Litouwen 40,70% 38,20%
Denemarken 45,80% 43,60%
Tsjechie 45,80% 38,50%
Slowakije 52,10% 41,00%
Finland 53,00% 48,40%
Slovenie 54,10% 38,00%
Polen 55,60% 55,00%
Nederland 71,20% 62,70%
Malta 72,10% 68,00%
Oostenrijk 73,40% 72,30%
Hongarije 79,20% 80,20%
Duitsland 81,90% 83,20%
Spanje 84,20% 60,10%
Cyprus 85,80% 60,80%
Engeland 90,00% 80,00%
Frankrijk 90,20% 81,70%
Belgie 99,60% 96,80%
Ierland 117,60% 96,20%
Portugal 123,60% 93,00%
Italie 127,00% 119,00%
Griekenland 156,90% 142,80%

 

Wat opvalt is dat de Baltische, Scandinavische en Oost-Europese landen (m.u.v. Hongarije) een (veel) lagere  staatsschuld hebben t.o.v. het BNP dan de West- en Zuid-Europese landen.

Bij de onderstaande tabel vergelijken we de toennames van de staatsschuld t.o.v. de cijfers van 2010.

staatsschuld staatsschuld stijging
BNP 2012 BNP 2010 staatsschuld
Zweden 38,20% 39,80% -1,70%
Duitsland 81,90% 83,20% -1,30%
Polen 55,60% 55,00% 0,60%
Hongarije 79,20% 80,20% 1,00%
Oostenrijk 73,40% 72,30% 1,10%
Denemarken 45,80% 43,60% 2,20%
Bulgarije 18,50% 16,20% 2,30%
Luxemburg 20,80% 18,40% 2,40%
Litouwen 40,70% 38,20% 2,50%
Belgie 99,60% 96,80% 2,80%
Estland 10,10% 6,60% 3,50%
Malta 72,10% 68,00% 4,10%
Finland 53,00% 48,40% 4,60%
Letland 40,70% 46,20% 5,50%
Tsjechie 45,80% 38,50% 7,30%
Roemenie 37,80% 30,80% 7,70%
Italie 127,00% 119,00% 8,00%
Frankrijk 90,20% 81,70% 8,50%
Nederland 71,20% 62,70% 8,50%
Engeland 90,00% 80,00% 10,00%
Slowakije 52,10% 41,00% 11,10%
Griekenland 156,90% 142,80% 14,10%
Slovenie 54,10% 38,00% 16,10%
Ierland 117,60% 96,20% 21,40%
Spanje 84,20% 60,10% 24,10%
Cyprus 85,80% 60,80% 25,00%
Portugal 123,60% 93,00% 30,60%

 

We komen hierbij tot de volgende conclusies:

-         Duitsland en Zweden zijn de enige landen die de staatsschuld (in vergelijking met de cijfers van 2010) hebben zien dalen.

-         We zien dat de landen die subsidies ontvangen vanuit het noodfonds de staatsschuld behoorlijk hebben zien oplopen. Uit niets blijkt dat Ierland het beter doet dan de andere economisch zwakkere broeders (in weerwil van wat vele media berichten).

In de onderstaande tabel zien we de begrotingstekorten van ultimo 2012 met daarbij de begrotingscijfers van 2010.

Begrotings- Begrotings-
Tekort 2012 Tekort 2010
Duitsland -0,20% 3,50%
Estland 0,30% -0,10%
Zweden 0,50% 0
Luxemburg 0,80% 1,70%
Bulgarije 0,80% 3,90%
Letland 1,20% 7,70%
Finland 1,90% 2,50%
Hongarije 1,90% 4,20%
Oostenrijk 2,50% 4,60%
Roemenie 2,90% 6,60%
Italie 3,00% 5,00%
Litouwen 3,20% 7,10%
Malta 3,30% 3,60%
Polen 3,90% 7,90%
Belgie 3,90% 4,80%
Slovenie 4,00% 5,50%
Denemarken 4,00% 2,70%
Nederland 4,10% 5,60%
Slowakije 4,30% 7,90%
Tsjechie 4,40% 4,70%
Frankrijk 4,80% 7,00%
Cyprus 6,30% 5,50%
Engeland 6,30% 10,40%
Portugal 6,40% 9,10%
Ierland 7,60% 32,40%
Griekenland 10,00% 10,50%
Spanje 10,60% 9,20%

 

We komen hierbij tot de volgende conclusies:

-         Duitsland is het enige land dat een begrotingsoverschot kent

-         11 van de 27 landen voldoen aan de randvoorwaarde van de EU dat het begrotingstekort niet meer mag bedragen dan 3%.

-         De West- en Zuid-Europese landen (m.u.v. Duitsland en in mindere mate Italië) vallen op door de forse begrotingstekorten.

In de onderstaande tabel hebben we een ranglijst gemaakt waarbij de EU-landen onderling zijn vergeleken. Deze vergelijking hebben we ook in 2010 gemaakt.

We komen hierbij tot de volgende gevolgtrekkingen:

-         de top 4 is stabiel gebleven

-         Letland, Hongarije, Duitsland en Polen zijn in de rangorde behoorlijk gestegen.

-         Cyprus is behoorlijk gedaald

Daarnaast hebben wij in kaart gebracht welke landen per saldo betalen aan de EU-begroting en welke landen per saldo ontvangen. Duitsland is verreweg de grootste betaler aan de EU, Polen verreweg de grootste ontvanger. Als wij echter deze bijdrage delen door het aantal inwoners dan komt de volgorde er iets anders uit te zien.

Onderstaande tabel laat zien wat er per inwoner in 2011 is betaald, dan wel ontvangen uit de EU-begroting (bron: http://www.europarl.europa.eu/news/nl/headlines/content/20110630MUN23022/html/Overzicht-van-de-EU-begroting).

netto betaler netto ontvanger inwoneraantal netto betaler netto ontvanger
(x miljoen) 2011 (x miljoen) 2011 2011 (x 1000) per inwoner per inwoner
Zweden 1110 9.103 122
Luxemburg 60 509 117
Denemarken 647 5.543 116
Belgie 1149 10.438 113
Nederland 1869 16.730 111
Finland 510 5.262 96
Duitsland 7538 81.305 93
Frankrijk 4888 62.814 78
Italie 4750 61.261 77
Oostenrijk 623 8.219 76
Engeland 4703 63.047 75
Cyprus 24 792 30
Roemenie 1544 21.848 70
Spanje 3723 47.042 79
Ierland 501 4.722 106
Bulgarije 761 7.037 108
Tsjechie 1567 10.177 154
Malta 79 409 193
Slovenie 520 1.996 260
Slowakije 1209 5.483 220
Estland 368 1.275 288
Portugal 3116 10.781 289
Polen 11212 38.415 291
Letland 752 2.191 343
Litouwen 1396 3.525 396
Griekenland 4775 10.767 443
Hongarije 4495 9.958 451

 

We komen hierbij tot de volgende gevolgtrekkingen:

-         De Scandinavische en West-europese landen (met inbegrip van Italië) zijn de netto betalers in de EU.

-         De Baltische, Oost- en Zuid-Europese landen de netto ontvangers

-         De goede balanstechnische resultaten van de Baltische en Oost-Europese landen zijn waarschijnlijk (voor een deel ) het gevolg van de netto ontvangsten uit de EU-begroting.

Verhoging AOW-leeftijd kost samenleving vele miljarden !!

Verhoging AOW-leeftijd kost samenleving in 16 jaar 35 miljard !!

De Tweede kamer is dit jaar uiteindelijk akkoord gegaan met een verhoging van de AOW-leeftijd. Wat men klaarblijkelijk niet beseft heeft is dat bij het pensioenakkoord een afspraak is gemaakt die ervoor zorgt dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen bezuiniging maar een lastenverzwaring oplevert !!

Deze afspraak tussen overheid, werknemers en werkgevers luidt als volgt:
“Met ingang van 2013 tot en met 2028 wordt de AOW jaarlijks extra verhoogd met 0,6 procent. Deze verhoging komt bovenop de aanpassing van de AOW aan de gemiddelde stijging van de cao-lonen”

In onderstaand artikel is een berekening gemaakt van de lastenverzwaring die gaat optreden door bovengenoemde overeenkomst.

Daarvoor zijn 2 tabellen gemaakt. De tabellen zijn als volgt samengesteld waarbij als basis de AOW-uitkering 2012 voor gehuwden is aangehouden.

Kolom 1:
In de eerste kolom laten wij de AOW stijgen met 1,5% op jaarbasis.

Kolom 2:
In de tweede kolom laten wij de AOW stijgen met 2,1% (incl. de extra stijging van 0,6%).

Kolom 3:
In de derde kolom laten wij de aow-uitkering zien die de generatie van 1955 gaat krijgen (die eigenlijk pas op 66-jarige leeftijd de AOW zou ontvangen) op het moment dat zij beslissen de uitkering 1 jaar te vervroegen naar 65 jaar. Het uitkeringsbedrag is dan 93,5% van de tweede tabel (korting 6,5%). De leeftijdscategorie tot geboortejaar 1960 komt ten opzichte van de huidige AOW (die stijgt met de gemiddelde stijging van de CAO-lonen) er nog behoorlijk vanaf.
In de eerste 4 jaar hebben zij een iets lagere uitkering (vergelijk tabel 1 en 3, jaartallen 2020 tot en met 2023), maar daarna is de uitkering door de 0,6% extra stijging hoger t.o.v. huidige AOW (vergelijk tabel 1 en 3, 2024 e.v.)

Kolom 4:
In de vierde kolom laten wij de aow-uitkering zien die de generatie van 1960 e.v. gaat ontvangen op het moment dat zij beslissen de AOW-uitkering (die eigenlijk pas op 67-jarige leeftijd de AOW zou ontvangen) met 2 jaar te vervroegen naar 65 jaar. Het uitkeringsbedrag is dan 87% van de tweede tabel (korting 13%). De leeftijdscategorie vanaf geboortejaar 1960 ontvangt uiteindelijk een lager AOW-bedrag bedrag ten opzichte van hoe de AOW geweest zou zijn als de extra opslag van 0,6% er niet zou zijn geweest.
Uiteindelijk leveren zij in 2025 6,1% in (vergelijk tabel 1 en 4 in 2025). Deze achterstand wordt door de 0,6% toeslag iets ingelopen, maar omdat deze extra opslag in 2028 ophoudt blijft de uitkering 95,6% van het huidige AOW-systeem (vergelijk tabel 1 en 4 in 2028).

Kolom 5:
In kolom 5 kunt u zien hoeveel 65 jarigen de Nederlandse samenleving telt in enig jaar (bron CBS).

Kolom 6:
In kolom 6 kunt u het aantal nieuwe toetreders zien in enig jaar vanaf 2020 (vanaf dat moment wordt dit een relevant getal). Dit aantal is een aanname en is berekend door het verschil tussen twee opeenvolgende kalenderjaren + 150.000. Deze 150.000 is een aanname van het aantal 65-jarigen die in een bepaald jaar gaan overlijden. Dit aantal is een (naar boven afgerond gemiddelde) van een statistiek van het CBS.

Wat kost ons deze afspraak in het pensioenakkoord.?:

Kolom 1:
Kolom 1 is de totale AOW-last bij een jaarlijks 1,5% stijgende AOW. Daarbij is uitgegaan van de gehuwden AOW. In de praktijk geniet een substantieel deel de alleenstaanden-AOW die 45,6% hoger is !! (hetgeen de verschillen alleen maar vergroot).

Kolom 2:
Kolom 2 is de totale AOW-last bij een jaarlijks 2,1% stijgende AOW (incl. 0,6% extra toeslag)

Kolom 3:
Kolom 3 is het verschil tussen Tabel 2 en Tabel 1 oftewel tussen de AOW incl 0,6% toeslag en de huidige AOW.

Kolom 4:
Kolom 4 is de correctie op tabel 3 omdat een deel van de nieuwe AOW-ers (generatie geboren na 1954) vanaf 2020 een lagere AOW gaat genieten

Kolom 5:
Kolom 5 is de extra uitgave die de overheid moet doen voor deze 0,6% hogere AOW-uitkering vanaf 2013. Voordat de latere AOW ingaat heeft de overheid al € 5 ½ miljard meer uitgegeven t.ov. een AOW zonder de 0,6% toeslag (het eerste getal in tabel 5 is het totale verschil tussen de AOW met en AOW zonder toeslag tot en met 2019.

Conclusie:

De extra 0,6% uitkering kost ons tot 2028 EUR 35 miljard extra.

Bij deze berekeningen horen de volgende kanttekeningen:

  • Niet iedereen ontvangt volledig AOW hetgeen het verschil verkleint
  • Er is uitgegaan van de gehuwden AOW. In werkelijkheid zijn er onder de 65 jarigen veel alleenstaanden hetgeen het verschil (sterk) vergroot.
  • Deze berekening is gemaakt op de achterkant van een sigarendoosje en zal door iemand die meer tijd en informatie tot zijn/haar beschikking heeft (CPB ??) gepreciseerd kunnen worden. Conclusie dat deze maatregel ons veel geld kost in plaats van oplevert blijft overeind.
  • Geld komt grotendeels ten goede aan de generatie die genoten heeft van een (niet zelf gefinancierde) VUT-uitkering en die daarnaast (indien van toepassing) ook nog in aanmerking kwam voor de AOW-toeslag.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat dit het zoveelste fiscale instrument is dat niet bereikt wat het beoogde (MKB-winstvrijstelling zie artikel, Wet Hillen zie artikel, wijziging ziektekostenstelsel).

Opzienbarende vergelijking economische cijfers EU-landen

In de mêlee van discussies, opmerkingen, stellingen en (on)wijsheden over de Europese Unie is het handig alles eens op een rijtje te zetten.

In onderstaande tabel kunnen we zien welke EU-landen hun zaakjes het best op orde hebben, althans volgens de afspraken die de EU-landen hebben gemaakt over begrotingstekort en staatsschuld. Deze cijfers zeggen dus niets over de mate van welzijn van een land omdat sociale structuren en de mate waarin een land omgaat met de werklozen, zwakkeren, zieken, arbeidsongeschikten en armen buiten beschouwing zijn gelaten.

Onderstaande tabel geeft de cijfers weer per ultimo 2010. Daarachter is vermeld (volgens de cijfers van 2009) of en voor welke bedrag een land een “netto ontvanger” of een “netto betaler” is.

  totale staatsschuld Rangorde Begrotings- Rangorde netto betaler netto ontvanger
  rangorde BNP BNP tekort Begr.tekort EU (miljoen) EU (miljoen)
Estland 1 6,60% 1 -0,10% 1   582
Luxemburg 2 18,40% 3 1,70% 2   1177
Bulgarije 3 16,20% 2 3,90% 8   642
Zweden 4 39,80% 8 0 2 34  
Denemarken 5 43,60% 10 2,70% 5 880  
Finland 6 48,40% 12 2,50% 4 492  
Tsjechie 7 38,50% 7 4,70% 11   1741
Slovenie 8 38,00% 5 5,50% 14   258
Roemenie 9 30,80% 4 6,60% 17   1733
Malta 10 68,00% 17 3,60% 7   17
Litouwen 11 38,20% 6 7,10% 19   1508
Oostenrijk 12 72,30% 18 4,60% 10 343  
Duitsland 13 83,20% 22 3,50% 6 5851  
Cyprus 14 60,80% 15 5,50% 14   7
Hongarije 15 80,20% 20 4,20% 9   2752
Slowakije 16 41,00% 9 7,90% 21   564
Letland 17 46,20% 11 7,70% 20   513
Nederland 18 62,70% 16 5,60% 16   234
Polen 19 55,00% 13 7,90% 21   6418
Belgie 20 96,80% 25 4,80% 12   2391
Spanje 21 60,10% 14 9,20% 24   1446
Frankrijk 22 81,70% 21 7,00% 18 5198  
Italie 23 119,00% 26 5,00% 13 4540  
Engeland 24 80,00% 19 10,40% 25 1633  
Portugal 25 93,00% 23 9,10% 23   2205
Ierland 26 96,20% 24 32,40% 27   21
Griekenland 27 142,80% 27 10,50% 26   3200

We komen, na deze cijfers bekeken te hebben, tot opzienbarende conclusies

1. Estland is zonder twijfel het beste jongetje van de klas. Met een staatsschuld van 6,6% van het BNP en een begrotingsoverschot van 0,1% (als enige Europese land) torent zij ver boven de rest uit

2. Bulgarije presteert, als Balkanland, ook uitstekend. Nederland zou de vingers aflikken bij een staatsschuld van slechts 16,2% en een begrotingstekort van 3,9%

3. De economische “mastodonten” presteren, m.u.v. Duitsland, slecht. Spanje is dan wel een zorgenkindje, maar dat is waarschijnlijk zo omdat wij niet willen weten wat er gaat gebeuren als Frankrijk, Italie of Engeland (die allen nog lager in de rangschikking staan) in de betalingsproblemen gaan komen.

4. Diezelfde mastodonten zijn (op Duitsland na) de grootste netto-betalers aan de EU.

5. Polen is verreweg de grootste netto-ontvanger. Met 6,4 miljard ontvangt zij meer dan 2 x zoveel als nr 2 Hongarije (2,7 miljard).

6. België is na bovengenoemde twee landen de grootste netto-ontvanger van de EU. Zij ontvangt per saldo 2,3 miljard.

7. Luxemburg ontvangt, als ministaatje, 1,1 miljard uit Brussel. 

8. Ierland ontvangt, ondanks haar beroerde economische situatie, per saldo slechts 21 miljoen meer dan zij betaalt.

9. Nederland is, het gebazel van Wilders ten spijt, in 2009 een netto-ontvanger geweest van de EU. Wij hebben dus simpelweg EUR 234 miljoen meer ontvangen dan betaald!

Lot zonder Nieten

Huizenbezitters kunnen in aanmerking komen voor Nationale Hypotheek Garantie indien zij voldoen aan een aantal voorwaarden.

Deze beperkende voorwaarden zijn onder andere het maximale hypotheekbedrag (EUR 350.000) en de maximale koopsom van de woning (bestaande woningen EUR 312500,– en nieuwbouwwoningen EUR 324047,–).

Daarnaast moet je, om in aanmerking te komen voor NHG, een woning aankopen of verbouwen. Bij verbouwing geldt een maximaal hypotheekbedrag van EUR 265.000.

Het voordeel van NHG voor kopers is dat de geldverstrekker een (significant) lagere rente aanbiedt en daarnaast dat de schuldrest, indien bij gedwongen verkoop een schuldrest overblijft, wordt kwijtgescholden. Uiteraard moet hierbij wel aan enkele voorwaarden worden voldaan.

Het voordeel voor banken is dat er voor de financiering van hypotheken met NHG nauwelijks reserves op de balans aangehouden hoeven te worden.

Voorstel:

De voorwaarden voor de Nationale Hypotheekgarantie moeten zodanig worden uitgebreid dat deze (ook) gaat gelden voor iedereen die een hypotheekschuld heeft die niet groter is dan bijv 75% van de executiewaarde of 50% van de vrije verkoopwaarde. (Voor geldleners die hieraan voldoen geldt geen maximaal hypotheekbedrag meer.)

Waarom moeten de voorwaarden worden uitgebreid ??

Voordeel Nationale Hypotheekgarantie:

Versterking van het waarborgfonds door de vergoeding die betaald moet worden om voor NHG in aanmerking te komen (0,55% van het hypotheekbedrag). De kans dat het waarborgfonds aangesproken moet worden voor deze nieuwe toetreders is zeer klein omdat de vrije verkoopwaarde van de woning (afhankelijk van voorwaarden) 157% tot 200% bedraagt van het hypotheekbedrag.

Voordeel Banken:

Omdat voor hypotheken met NHG een veel kleinere reserve op de balans aangehouden hoeft te worden in vergelijking met Hypotheken zonder NHG kan de bank op deze manier haar vermogen versterken (en zodoende nog meer bestand zijn tegen strengere stresstesten) en/of meer gelden beschikbaar stellen voor andere investeringen.

Voordeel hypotheekgevers:

Een lagere rente (± 0,3%) voor de rest van de looptijd van de hypotheek. De kosten voor het waarborgfonds zijn er (afhankelijk van de administratiekosten die de bank in rekening brengt) in 2 a 3 jaar uit.

MKB-winstvrijstelling: overbodig fiscaal instrument dat grotendeels ten goede komt aan verkeerde groep !!!

Stelling:
De MKB-winstvrijstelling is op oneigenlijke gronden ingevoerd en komt daarnaast grotendeels terecht bij de verkeerde doelgroep !!!.

MKB-winstvrijstelling:
De MKB-winstvrijstelling is in 2007 ingevoerd met als motivatie dat de belastingdruk van de ib-ondernemer ongeveer gelijk moest zijn aan die van de DGA (Directeur Groot-Aandeelhouder). Daarbij vergeleek men de gezamenlijke belastingdruk van de Vennootschapsbelasting en de AB-heffing met de belastingheffing in de Inkomstenbelasting.
De gezamenlijke belastingdruk van de VPR en de AB-heffing varieert van minimaal 40% (VPB 20% en AB-heffing 25%) tot maximaal 43,75% (VPB 25% en AB-heffing 25%).

“Appels met Peren-vergelijking”:
Dat dit een “appels met perenvergelijking” is, is klaarblijkelijk iedereen ontgaan. Een DGA betaalt namelijk geen VPB/AB heffing over zijn inkomen !!, maar betaalt simpelweg inkomstenbelasting over het inkomen dat hij/zij geniet uit zijn/haar BV.

Inkomen DGA:
De Belastingdienst heeft bepaald dat een DGA een minimaal inkomen uit de BV moet genieten van EUR 41.000. Daarnaast heeft de belastingdienst als stellingname dat een DGA ongeveer 70% van zijn/haar winst moet genieten in de vorm van inkomstenbelasting (loondienst-inkomen). Het meerdere kan hij/zij dan in de vorm van dividend uitkeren.
Heeft een DGA een winst uit zijn/haar BV van EUR 140.000, dan zal hij/zij dus over het algemeen een loondienstinkomen van EUR 98.000 moeten hebben en mag hij/zij de rest uitkeren in de vorm van dividend.

Inkomen IB-ondernemer:
IB-ondernemers betalen over hun winst inkomstenbelasting. Zij hebben recht op een zelfstandigenaftrek die vooral bij relatief kleine winsten een behoorlijke belastingbesparing opleveren. Daarnaast is er dus vanaf 2007 de MKB-winstvrijstelling: een aftrek van 12% van de winst.

Vergelijking IB-ondernemer – DGA:
In de tabel onderaan dit artikel is een vergelijking gemaakt tussen het netto inkomen van een ib-ondernemer (incl zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling) en het netto inkomen van een DGA.
Bij de DGA hebben wij rekening gehouden met het minimale loon dat hij/zij moet genieten. Verder zijn wij er van uitgegaan dat 70% van de winst uit de BV wordt uitgekeerd in de vorm van loon en de rest wordt uitbetaald in de vorm van dividend.

Conclusie 1:
De ib-ondernemer is door de mkb-winstvrijstelling bevoordeeld t.o.v. de DGA.
Uit de vergelijking kan geconcludeerd worden dat de ib-ondernemer door deze MKB-winstvrijstelling enorm is bevoordeeld ten opzichten van de Directeur Groot Aandeelhouder (DGA). Het netto inkomen van een IB-ondernemer is bij een bruto-winst van EUR 40.000 netto 17,5% hoger en bij een bruto-winst van EUR 500.000 !!! altijd nog 5,7% (i.c. EUR 15305,–).

Conclusie 2:
De mkb-winstvrijstelling komt bij de verkeerde groep terecht.
IB-ondernemers met winsten boven de EUR 100.000 hebben over het algemeen personeel in dienst en/of hebben kapitaalintensieve investeringen gedaan en zullen vanwege risico-technische redenen ervoor kiezen de onderneming voort te zetten in de vorm van een BV.
IB-ondernemers met winsten boven EUR 100.000 bestaan dan ook voornamelijk uit vrije beroepers (notarissen, advocaten en accountants) en medisch specialisten die weinig tot geen personeel in dienst hebben. Dit zijn nu bij uitstek beroepsgroepen die de afgelopen jaren nauwelijks tot geen last hebben gehad van de economische malaise en daarnaast enorm bevoordeeld zijn door de mkb-winstvrijstelling.

ADVIES:
In deze economisch sombere tijden is het raadzaam de mkb-winstvrijstelling te verminderen en/of af te toppen bij winsten boven een bepaald niveau.

  DGA   IB-ondernemer   hoger netto-
  70% box 1   Mkb-vrijstelling 12%   inkomen
  30% box 2       Ib-ondernemer
          versus DGA
bruto netto   netto    
40.000,00 26.891,00 67,20% 31.591,00 79,00% 17,50%
           
50.000,00 32.691,00 65,00% 37.897,00 75,80% 15,90%
           
60.000,00 38.691,00 64,50% 43.216,00 72,00% 11,70%
           
70.000,00 44.691,00 63,80% 49.334,00 70,50% 10,40%
           
80.000,00 50.541,00 63,20% 54.758,00 68,40% 8,34%
           
90.000,00 55.701,00 61,90% 60.182,00 66,90% 8,04%
           
100.000,00 60.861,00 60,86% 65.606,00 65,61% 7,80%
           
120.000,00 71.181,00 59,30% 76.454,00 63,70% 7,40%
           
140.000,00 81.501,00 58,20% 87.302,00 62,40% 7,10%
           
160.000,00 91.821,00 57,40% 98.150,00 61,30% 6,90%
           
180.000,00 102.141,00 56,70% 108.998,00 60,60% 6,70%
           
200.000,00 112.461,00 56,20% 119.846,00 59,90% 6,60%
           
240.000,00 133.101,00 55,50% 141.542,00 59,00% 6,30%
           
280.000,00 153.741,00 54,90% 163.238,00 58,30% 6,20%
           
320.000,00 174.381,00 54,50% 184.934,00 57,80% 6,05%
           
400.000,00 215.660,00 53,90% 228.326,00 57,10% 5,90%
           
500.000,00 267.261,00 53,50% 282.566,00 56,50% 5,70%

Gevonden: Bezuinigingsbedrag ter waarde van EUR 200 mijloen !!

Stelling: In deze economisch sobere tijden is het zeer goed te overwegen de wet Hillen ongedaan te maken.
Hieronder een opsomming van feiten en argumenten:

Wat houdt de wet Hillen in:
Volgens de wet Hillen (ingangsdatum 01-01-2005) ontvangt de belastingplichtige een aftrek ter grootte van maximaal de bijtelling van het eigenwoningforfait. Deze aftrekpost wordt verkregen indien en voor zover de aftrekbare hypotheekrente kleiner of gelijk is aan de bijtelling van het eigenwoningforfait.
Het komt er kort gezegd op neer dat belastingplichtingen die geen hypotheek op de eigen woning hebben, ook geen bijtelling meer hebben i.v.m. het eigen woning forfait.
Wie hebben er baat bij deze belastingmaatregel:
Over het algemeen kan gesteld worden dat deze belastingmaatregel ten goede is gekomen aan die belastingplichtigen die, hun inkomens en/of vermogenspositie in aanmerking nemende, behoren tot de economische bovenklasse. Of in PVV-termen: Er zijn weinig Henken in Ingrids die baat hebben bij deze belastingmaatregel.

Wat levert het afschaffen van deze wet op:
De gemiddelde woningwaarde is EUR 250.000. Bijtelling eigen woning forfait bij een dergelijke woning is: Eur 250.000 x 0,55% = EUR 1375
Er zijn momenteel ongeveer 500.000 woningbezitters die wel een eigen woning hebben, maar geen eigen woning schuld. Als we er van uitgaan dat deze woningbezitters 30% i.b. zouden hebben betaald over dit eigenwoningforfait dan is het voordeel van de wet Hillen EUR 1375 x 30% = EUR 412,50
Het terugdraaien van dit wetsvoorstel geeft dus extra belastinginkomsten van: EUR 412,50 x 500.000 = ruim EUR 200 miljoen !!.

Waarom is deze berekening waarschijnlijk te laag aangehouden:
 - Gemiddelde waarde van woning zal waarschijnlijk hoger zijn
 - Gemiddelde ib-tarief kan wellicht hoger zijn
 - Geen rekening is gehouden met belastingplichtigen die    gedeeltelijk voordeel hebben bij de wet Hillen (Hypotheken met een renteaftrek die lager is dan de bijtelling van het eigenwoning forfait

Pensioentekort – heldere analyse met voorbeelden

Door de economische ontwikkelingen van de laatste jaren zijn veel pensioenfondsen voor wat betreft de pensioenverplichtingen in de problemen gekomen. De minimaal benodigde dekkingsgraad (in welke mate een pensioenfonds aan zijn verplichtingen kan voldoen) van 105% wordt door velen op dit moment nog niet gehaald. Daarbij hebben de pensioenfondsen  veel kritiek te verduren gekregen. Is dat terecht ?

Wij zullen trachten middels begrijpelijke voorbeelden te laten zien dat de pensioenfondsen slechts in beperkte mate verantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie.

Er zijn drie factoren die grotendeels verantwoordelijk zijn voor de huidige situatie.

Factor 1: Gestegen Levensverwachting:

Uit onderstaande grafiek die is gepubliceerd door het Centraal Bureau voor Statistiek kunnen verschillende conclusies worden getrokken:

Conclusie 1: De oorzaak van de toegenomen levensverwachting ligt niet in het feit dat de mens veel langer leeft, hij heeft tussentijds veel minder kans te overlijden !! Deze stijging is vooral de laatste 10 jaar erg toegenomen.

Een man die in 2000 geboren is wordt gemiddeld 75,54 jaar, een man die in 2007 geboren is gemiddeld 78,01 jaar.

Conclusie: Een man die in 2007 geboren is leeft 78,01 : 75,54 = 3,3%  langert.o.v. 2000

Een vrouw die in 2007 geboren is leeft 82,31 : 80,58 = 2,1% langer t.o.v. 2000

Een man die in 2000 65 jaar was, had gemiddeld nog 14,96 jaar te leven, een man die in 2007 65 jaar werd had gemiddeld nog 16,6 jaar te leven.

Conclusie: Een man die in 2007 65 jaar is geworden leeft 16,6 : 14,96 = 11% langer dan de man die  in 2000 65 jaar werd.

Een vrouw die in 2007 65 jaar geworden is leeft 20,04 : 18,81 = 6,5% langer dan de vrouw die in 2000 65 jaar werd.

Een man die in 1990 65 jaar was, had gemiddeld nog 14,06 jaar te leven, een man die in 2000 65  jaar werd had gemiddeld nog 14,96 jaar te leven.

Conclusie: Een man die in 2000 65 jaar is geworden leeft 14,96 : 14,06 = 6,4 % langer dan de man die in 1990 65 jaar werd.

Een vrouw die in 2000 65 jaar geworden is leeft 18,81 : 18,57 = 1,3 % langer dan de vrouw die in 2000 65 jaar werd.

Als u de 10 jaars perioden daarvoor bekijkt dan zijn de stijgingen nog veel minder, vooral bij de mannen. (tussen 1990 en 1980 2,9%, tussen 1980 en 1970 3,1%, tussen 1970 en 1960 -9,5% !!! (de levenskansen voor een 65 jarige daalde in die periode juist !))

Conclusie 2: De pensioenfondsen konden in 2000 op basis van de voorliggende cijfers  niet voorzien dat de gestegen levensverwachting zo snel zou veranderen.

 

Factor 2: Ontwikkelingen Kapitaalmarktrente

Voor het berekenen van de dekkingsgraad (in welke mate een pensioenfonds aan haar verplichtingen kan voldoen) gingen de pensioenfondsen tot 2007 uit van een rendement van 4%. Als er in een jaar al minder rendement werd gehaald, dan werd dit in een later jaar wel gecompenseerd.

Hieraan maakte de pensioenwet in 2007 echter een eind. De kapitaalmarktrente moet nu worden aangehouden als de gemiddelde rekenrente.

Hieronder volgen enkele berekeningen die laten zien welke enorme impact een dergelijke beslissing heeft gehad. Vooral toen deze ongeveer daalde naar 2% en op basis daarvan de dekkingsgraad werd bepaald.

Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de opbouwfase en de uitkeringsfase. (sterftetabellen worden hierbij buiten beschouwing gelaten).

Opbouwfase:

Als een 35 jarige op zijn/haar 65e een doelkapitaal nodig heeft van EUR 502000, dan moet er maandelijks bij een rendement van 4% € 721,– worden ingelegd.

Als een 35 jarige op zijn/haar 65e een doelkapitaal nodig heeft van EUR 502000, dan moet er maandelijks bij een rendement van 2% € 1018,– worden ingelegd.

Conclusie: Als de kapitaalmarktrente op een niveau van 2% blijft, dan moet de maandelijkse inleg stijgen met 41% ten opzichte van een rendement van 4%.

Uitkeringsfase:

Bij de uitkeringsfase kunt u zien welk kapitaal er nodig is bij verschillende rendementen en tussen het wel of niet indexeren. Daarnaast kunt u zien wat de consequenties zijn indien er in de toekomst bijvoorbeeld 5 jaar langer uitgekeerd moet worden (door gestegen levenskansen).

In het eerste voorbeeld gaan wij ervan uit dat er gedurende 20 jaar een kapitaal moet worden uitgekeerd van EUR 30.000 per jaar. Zoals u kunt zien moet er dan een kapitaal van EUR 424.000 worden gereserveerd bij een rendement van 4%.

Bij een rendement van 2% moet er echter een behoorlijk hoger bedrag (EUR 500.000) gereserveerd worden.

Conclusie: Er moet een 500000 : 424000 = 18% hoger kapitaal worden gereserveerd indien er met 2% wordt gerekend in plaats van 4%.

Pensioenen worden over het algemeen geindexeerd. In de linker grafiek kunt u zien welk kapitaal er moet worden gereserveerd (bij 2%) indien de uitkeringen jaarlijks 2% stijgen.

Conclusie: Als de pensioenuitkering jaarlijks 2% stijgt, dan moet er ten opzichte van een gelijkblijvende uitkering van EUR 30.000 (600.000 : 500.000 =) 20% meer kapitaal gereserveerd worden.

Tenslotte kunt u in de grafiek rechtsboven zien welke invloed de langere levensverwachting heeft. Als er 5 jaar langer uitgekeerd moet worden (bij een geindexeerd pensioen, jaarlijkse stijging 2%) dan moet er bij een rendement van 2% EUR 750.000 worden gereserveerd in plaats van EUR 600.000. Kortom: Er moet 750000 : 600000 = 25% meer kapitaal gereserveerd worden.

Conclusie: De pensioenfondsen hebben niet snel genoeg kunnen anticiperen op de gewijzigde dekkingsgraadregels (Kapitaalmarkrente versus 4%) in combinatie met de sterk gedaalde kapitaalmarktrente.

Factor 3: Koersresultaten aandelenmarkt:

Ik wil hier slechts opmerken dat de MSCI-world index (wereldwijde aandelenindex) tussen 1990 en 2000 met 309% gestegen is terwijl er tussen 2000 en 2010 slechts een stijging van 13% is gerealiseerd.

Terwijl de kapitaalmarktrente scherp daalde bleken ook nog eens de aandelenkoersen scherp onder druk te staan (koersresultaat MSCI-worldindex -40% !!).

Eindconclusie:

De pensioenfondsen zijn slechts in  beperkte mate verantwoordelijk voor de lage dekkingsgraden.

 

Older